Hannekemaaiers en hoofdelingen

Het Oldambt stond lange tijd bekend om zijn starre sociale verhoudingen; hereboer versus de landarbeider en er niet veel tussen. De herenboeren vormden als het ware een kaste (" daimt bie daimt") waar niet veel spelden tussen kwamen. Dit gold vanaf midden van de negentiende en de eerste helft twinitigste eeuw zeer zeker.
Maar het beeld van daarvoor is gevarieerder. Zo bleek mij ook een paar dagen terug na een zoektocht op internet.
Parenteel Bettenbroek
Dit begon met het parenteel Bettenbroek-van der Wal, waar mijn familie in voor komt. Dit geeft van een bepaald echtpaar alle nazaten weer. In dit geval een landarbeidersfamilie in het Oud Oldambt. De stamvader Johannes Bettenbrock (1792-1827) streek zo’n 192 jaar geleden in 1816 in Eexta neer. Hij was een van de befaamde Hannekemaaiers, een van de naar schatting 30.000 Hollandgänger die in de 19e eeuw jaarlijks de grens overtrokken. Deze eerste gastarbeiders waren niet bepaald populair bij de inheemse arbeiders. Men vond ze maar achterlijk en ze waren vaak ook nog paaps (katholiek): vandaar de bijnaam ‘poepen’. Bovendien stonden ze onder verdacht ‘onze vrouwen in te pikken’. Bij een economische neergang gingen er al gauw stemmen op om de hannekemaaiers te weren.Dat heeft Johannes Bettenbrock (1792-1827) er niet van weerhouden om Hindriktje van der Wal, (1788-1845), een toen (1816) al wat oudere landarbeidersdochter van de vette klei in Nieuw-Scheemda, ‘aan de haak te slaan’. 
Arbeiderstreekjes Oldambt
Het jonge echtpaar vestigde zich te Eexta en kreeg zes kinderen en vier daarvan kwamen voorbij de kinderleeftijd. Erg fortuinlijk was het gezin Bettenbroek-van der Wal niet. In 1819 brak een crisis uit waardoor de boeren op personeel bezuinigden. Bettenbroek was toen waarschijnlijk als kersvere import, onvoldoende gesetteld om zijn plek te kunnen behouden. Hij stierf in Zuidwending op vijfendertig jarige leeftijd onder armoedige omstandigheden in een hut (ongenummerd). Hindriktje trok, zij viel nog onder de diaconie van de de kerk in deze plaats, weer terug naar Eexta waar zij haar vier kleine kinderen alleen en onder waarschijnlijk benarde omstandigheden moest zien groot te brengen. Echt oud is zij (daardoor) niet geworden, zij stierf op haar zevenenvijftigste. De vier kinderen van het echtpaar verdeelden zich twee aan twee over de dorpen Meeden en Scheemda. De familie verspreide zich in de volgende generaties als een olievlek over de arbeidersstreken in de dorpen rondom de westelijke Dollardboezem.
Tot dusver lijkt dit eenduidig. Edoch toen ik eergisteren wat op het internet struinde naar mijn voorvader en moeder, bleek dit anders. De zoektocht begon op de site van Mennenga:
III-c Hindrik Bettenbroek is geboren in 1824 in Eexta, zoon van Johan Eberhardus Bettenbroek en Hindriktje Jans van der Wal.
Beroep:
Boerenknecht
Hindrik trouwde, 20 jaar oud, op zaterdag 30 maart 1844 in Meeden met Aaltje Berends Doedens, 26 jaar oud. Aaltje Berends is geboren in 1818 in Meeden, dochter van Berend Doewes Doedens en Mettje Berends Venema.
Kinderen van Hindrik en Aaltje Berends:
1 Berend Bettenbroek, geboren in 1844 in Meeden Volgt IV-d.
2 Hinderktje Bettenbroek, geboren op zondag 28 december 1845 in Meeden Volgt IV-e.
3 Evert Bettenbroek, geboren in 1849 in Meeden Volgt IV-f.
De ouders van Aaljte Doedens hadden een kleine boerderij van plus minus 40 deimt (20 hectare) aan de Bovenstreek in Meeden (Boerderijenboek Woldoldambt 202). Gaan we echter de voorouders na dan komen we via genealogiesite Redmeijer (doorklikken links bovenaan, vaderlijke lijn) uit bij de famillie Tiddinga.
Tiddinga's
De Tiddinga's behoren tot de oudst bekende hoofdelingen van het Oldambt. Hoofdelingen waren in het middeleeuwse 'Friese Ommeland' de aanzienlijken. In de 13e eeuw treedt voor het eerst een Tiddinga als een van de leiders van het Oldambt naar voren. In 1271/76 wordt Ebbo Tiddinga genoemd in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe. En in 1391komt Tyacko Tyddinga te Eexta voor als een van de hoofdelingen bij de grensscheiding van het Reiderland en het Oldambt. Hij leeft nog in 1420. In 1454 is er voor het eerst sprak van een Doedo Tiddinga, de naamgever van de latere familie Doedens.
Exterhuis
In Ulsda, vlakbij Beerta, stond het Exterhuis of Oud-Exterhuis. Er is een relatie tussen dit steenhuis en de Eexter hoofdelingenfamilie Tiddinga. De Tiddinga's leefden soms in onmin met de concurrerende Huninga's. Op een gegeven moment kwam er een huwelijk tot stand tussen een mannelijke Huninga en een vrouwelijke Tiddinga. De Tiddinga’s verdwenen langzamerhand naar achtergrond. Daar komt nog eens bij dat de hoofdelingen in het Wold- en Klei-Oldambt ondergeschikt raakten de Houwerda’s (Termunten) en de Gockinga’s (Zuidbroek). Zij mochten rechtspreken de anderen niet. Door deze ondergeschiktheid kunnen de Tiddinga’s en de Huninga’s zich in de 17e eeuw alleen maar meer door hun vroegere belangrijke positie boven de anderen verheffen, waardoor ze wel vaak jonker werden genoemd. De Tiddinga's vervielen echter allengs terug in de ‘gewone’ boerenstand.
Sociale dynamiek
Er zit nog een behoorlijk brok ontbrekende geschiedenis tussen de hoofdelingen in verval tot bezitters van een kleine boerenplaats in Meeden. Wie nadere info heeft graag! Nietemin blijkt dat het Oldambt een dynamische streek was, met sociale stijgers en dalers. Waardoor een nazaat van een hoofdeling en die van een hannekemaaier elkaar treffen!









