'79='09?

Img_3898_5

Novecento en het anarchisme

Novecento_2
Een van mijn favoriete films is Novecento. Deze film speelt in het poldergebied in de Po, onder Milaan. Hier zo'n 1000 kilometer vandaan. En toch is het bij vlagen herkenbaar: het landschap, de gespannen sociale sfeer. Dit alles ademt iets van Oost-Groningen. Bertolucci is uitgenodigd .....;-)

Revolutionaire socialisten
Het zou een film zijn over emanciperende landarbeiders. En ik moest er weer aan denken toen ik een boek over de 'libertair-socialist' Harm Kolthek onder ogen kreeg, waaruit bleek dat Meeden (samen met Beerta en Finsterwolde) de eerste gemeente was waarin een groep met 'revolutionair socialistische arbeiders' te weten K. Mooibroek, H. Bettenbroek (een broer van mijn overoma) en M.Molema tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 1919 zijn intrede in de raad van Meeden maakte. Mooibroek werd in de raad gekozen.

Eigen bedoening
Dit had z'n voorgeschiedenis. Op de Veensloten, de veengronden aan de zuidkant van Meeden, waren ze verspreid en op sommige stukjes dicht bijeen gebouwd te vinden: de landarbeiderswoningen en kleine boerderijtjes. De bewoners ervan hadden hun eigen kleine bedoeninkjes. Een eigen huis met een behoorlijke lap (tuin-) grond, en vaak wat vee (varken, geiten en soms een koe). Het werk bij de grotere boeren in Meeden werd afgewisseld met turfwinning afgravingen in het veen, aanleggen van polders, en later ook seizoenswerk in de fabrieken. Een sober en karig bestaan. Spaarzaamheid een must. Ziekte een ramp. Maar er was ook trots dat ze de boel er 'netjes bij hadden staan'. Zelfredzaamheid stond voorop. Ook nog eens gepromoot door organisaties als het Nut.

Producerism
Die geest was daardoor rijp voor het anarchisme wat eind negentiende eeuw en begin twintigste eeuw furore maakte. In feite was het radicaalliberalisme van veel grotere boeren overgeslagen op menig landarbeider. Want beide stromingen deelden wat Amerikanen producerism noemen. Dit is het idee dat zelfstandigen die wat voorbrengen de ruggengraat van de samenleving vormen. Individualisme en anti-overheid is daarmee annex.

Luttje
Een van die kleine boeren was Willem Luttje (1865-1939). Hij wist de eigenzinnige landarbeiders en kleine boeren bijeen te voegen in de Meedener Coöperatieve Werklieden Vereniging. Een vakbond, inkooporganisatie, en ziekenfonds ineen. Het had op z'n top zo'n negentig leden, met een eigen verenigingslokaal. Luttje leerde de anderen hoe ze zich moesten organiseren, onderhandelen en soms staken. Hij organiseerde voor het eerst stakingen 1901 en 1907. Hij zette daarmee de toon en zijn organisatie spreidde zich als een olievlek uit over diverse dorpen in het Oldambt.

Leerlingen van Luttje
Het bleef een heksentour om 'de kar met kikkers' bijeen te houden. Tot een bestendige organisatie kwam het niet. Toch had Luttje onder de arbeiders in Meeden school gemaakt. Een aantal 'leerlingen van Luttje' had bij de raadsverkiezingen van 1919 een radicale lijst opgesteld. Door de invoering van algemeen kiesrecht, leken de kansen daarvoor groter dan ooit om in de raad te komen. Luttje zelf was toen afgehaakt. Teruggetrokken op zijn eigen stukje land. Iets wat wel vaker voorkwam onder anarchistische leiders.

Sociaal versus individualistisch anarchisten
Want op links ging het hard tegen hard. Dat gold intern bij de anarchisten waarbij individueel anarchisten tegenover de sociaal anarchisten stonden. De meer strikte individueel anarchisten wezen in principe elke organisatievorm af. 'In loondienst werken was slavernij,' aldus Jan Poppes Hommes, anarchist te Finsterwolde. Stemmen bij parlementsverkiezingen was in deze richting uit den boze. Vooral in het nieuwe Oldambt, de poldergebieden in en rondom Beerta en Finsterwolde, was deze richting toonaangevend. Zo'n 25% van de kiezers bleef in Finsterwolde dan ook thuis bij de eerste algemene landelijke verkiezingen van 1918.
Daar stonden de sociaalanarchisten tegenover. Zij waren wel gericht op enigerlei wijze van organisatie in corporaties en vakverenigingen. Ze hadden ietwat meer gemeenschapszin. Deze richting was op de lichtere gronden van het Oud-Oldambt en in de Veenkoloniën te vinden. De volgelingen van Luttje kunnen tot de sociaal anarchisten worden gerekend. Het was een lokale aangelegenheid want landelijk werd (in 1918) nauwelijks op de SDP (o.a. voorloper van de CPN) gestemd. In 1923 en 1927 deden de anarchisten mee in de raad onder de vlag van Volkspartij of Neutrale Arbeiderspartij.

Moderne beweging
Maar de anarchisten kwamen voornamelijk onder druk te staan van de zogenoemde moderne beweging op links. Een beweging overgewaaid uit de industrie, met een strakke leiding en ingehuurde professionals. Zoals de ' propagandisten' die op pad werden gestuurd om afdelingen van vakbonden op te zetten. Zo werd Jan Hilgenga uit Midwolda aanvankelijk vrij socialist, maar gaandeweg overgestapt, en in de moderne beweging ingezet. Hij kende 'n pappenheimers.
Maar Hilgenga had het moeilijk, zeker in de bolwerken van het strikte anarchism maar ook in de van de sociaal anarchisten. Een afdeling van de moderne landarbeidersbond kwam bijvoorbeeld in Meeden niet van de grond. Pas bij de grote landarbeiderstaking van 1929 veranderde dat. Er was een nieuwe generatie landarbeiders opgestaan, minder gebonden aan het anarchisme. Dit valt zelfs in bepaalde families aan te wijzen. De neven van Hendrik Bettenbroek (van de sociaalanarchistische richting) zoals Derk en Pieter Geukens en Helenus Boer (mijn opa) richten een afdeling van de moderne landarbeidersbond op en werden actief in de SDAP. In de gebieden waar het sociaalanarchisme school had gemaakt werd veelal voor de sociaaldemocratie gekozen, terwijl in de individualistische anarchistische bolwerken de striktere communisten de overhand kregen. Het bleef echter een actieve en roerige 'onderstroom' in Oost-Groningen.

Verassend actueel
Wat maakt het anarchisme achteraf zo bijzonder? En wat zouden er zelfs nu nog van op kunnen pikken? Allereerst waren het gevoelsocialisten. Ze hadden geen dogma's of strikte systemen. Het was eerder geworteld in de Romantiek dan in marxistische 'wetenschappelijkheid'. Met het ineenstorten van het marxisme maakt dat het gevoelsocialisme in die zin een revival verdient. Zie bijvoorbeeld een pleidooi voor een nieuwe romantiek door Frank Ankersmit.
Ten tweede wijst Christopher Lasch een van de laatste denkers van het 'sociaalanarchisme' er op ' dat dezelfde ontwikkeling die burgers in klanten heeft veranderd ook de producenten in consumenten heeft veranderd. ' De eigen bedoening is verdwenen. En daarmee de trots er op. Loondienst is de norm geworden. En ook het consumentisme is alom. Maar is dit geen onontkoombare ontwikkeling? Wellicht. Maar de huidige kenniseconomie met een toename van het aantal zelfstandigen zonder personeel duidt ook op een trend de andere kant op. Christopher Lasch wees daar in zijn nadagen op. En in die zin is de geest van het oude anarchisme in deze eenentwintigste Nove cento verassend actueel.

Stop de verzuring!

Zure_regen
In de jaren tachtig hadden we het over zure regen. Hoor je niets meer van. Nu is het op mensen overgeslagen. En op partijen. Ook de PvdA. Zelfs in goede tijden. Maar zeker in tijden van teleurstellende verkiezingen en constant lage peilingen.
De recente boodschap van Bos:op de tanden bijten en doorgaan. ' Naar buiten moeten PvdA-mensen slechts één ding doen, dat is keihard aan het werk gaan', aldus Bos. Bos verwijst naar zelfkastijdingsrituelen.
Wee je gebeente als je daar tegen in gaat. Maar Bos had het nog niet gezegd of daar was het kamerlid Paul Tang, nooit te beroerd om wat rond te slingeren, met een steentje in de vijver. Inhoudelijk op punten raak, maar niet wereldschokkend. En nu is Bos verbolgen.
De PvdA heeft ontegenzeggelijk het dubieuze talent om zichzelf door de voet te schieten. En vandaaruit kan ik de reactie van Bos begrijpen. En ook relativeringen van peilingen (hyper-hyper) zijn op z'n plek.
Maar de oproep van Bos om de deksel maar stevig op de pot te draaien, werkt alleen maar contraproductief. Want de partijsoldaat is bijna uitgestorven. En op jonge stieren, zoals Tang en Samson, werkt het als een rode lap.
De sociaaldemocratie is een club van bestuurders maar ook van vrijdenkers. Dat is een gekoesterde traditie. Dit sproedelt en houdt de PvdA scherp. Laten we dit cultiveren en daarbij menige oprisping voor lief nemen.
Stop de verzuring!

Hannekemaaiers en hoofdelingen

Oldambt_kaart_1791_2
Het Oldambt stond lange tijd bekend om zijn starre sociale verhoudingen; hereboer versus de landarbeider en er niet veel tussen. De herenboeren vormden als het ware een kaste (" daimt bie daimt") waar niet veel spelden tussen kwamen. Dit gold vanaf midden van de negentiende en de eerste helft twinitigste eeuw zeer zeker.

Maar het beeld van daarvoor is gevarieerder. Zo bleek mij ook een paar dagen terug na een zoektocht op internet.

Parenteel Bettenbroek
Dit begon met het parenteel Bettenbroek-van der Wal, waar mijn familie in voor komt. Dit geeft van een bepaald echtpaar alle nazaten weer. In dit geval een landarbeidersfamilie in het Oud Oldambt. De stamvader Johannes Bettenbrock (1792-1827) streek zo’n 192 jaar geleden in 1816 in Eexta neer. Hij was een van de befaamde Hannekemaaiers, een van de naar schatting 30.000 Hollandgänger die in de 19e eeuw jaarlijks de grens overtrokken. Deze eerste gastarbeiders waren niet bepaald populair bij de inheemse arbeiders. Men vond ze maar achterlijk en ze waren vaak ook nog paaps (katholiek): vandaar de bijnaam ‘poepen’. Bovendien stonden ze onder verdacht ‘onze vrouwen in te pikken’. Bij een economische neergang gingen er al gauw stemmen op om de hannekemaaiers te weren.Dat heeft Johannes Bettenbrock (1792-1827) er niet van weerhouden om Hindriktje van der Wal, (1788-1845), een toen (1816) al wat oudere landarbeidersdochter van de vette klei in Nieuw-Scheemda, ‘aan de haak te slaan’.
Hannekemaaier

Arbeiderstreekjes Oldambt
Het jonge echtpaar vestigde zich te Eexta en kreeg zes kinderen en vier daarvan kwamen voorbij de kinderleeftijd. Erg fortuinlijk was het gezin Bettenbroek-van der Wal niet. In 1819 brak een crisis uit waardoor de boeren op personeel bezuinigden. Bettenbroek was toen waarschijnlijk als kersvere import, onvoldoende gesetteld om zijn plek te kunnen behouden. Hij stierf in Zuidwending op vijfendertig jarige leeftijd onder armoedige omstandigheden in een hut (ongenummerd). Hindriktje trok, zij viel nog onder de diaconie van de de kerk in deze plaats, weer terug naar Eexta waar zij haar vier kleine kinderen alleen en onder waarschijnlijk benarde omstandigheden moest zien groot te brengen. Echt oud is zij (daardoor) niet geworden, zij stierf op haar zevenenvijftigste. De vier kinderen van het echtpaar verdeelden zich twee aan twee over de dorpen Meeden en Scheemda. De familie verspreide zich in de volgende generaties als een olievlek over de arbeidersstreken in de dorpen rondom de westelijke Dollardboezem.

Tot dusver lijkt dit eenduidig. Edoch toen ik eergisteren wat op het internet struinde naar mijn voorvader en moeder, bleek dit anders. De zoektocht begon op de site van Mennenga:

III-c Hindrik Bettenbroek is geboren in 1824 in Eexta, zoon van Johan Eberhardus Bettenbroek en Hindriktje Jans van der Wal.
Beroep:
Boerenknecht
Hindrik trouwde, 20 jaar oud, op zaterdag 30 maart 1844 in Meeden met Aaltje Berends Doedens, 26 jaar oud. Aaltje Berends is geboren in 1818 in Meeden, dochter van Berend Doewes Doedens en Mettje Berends Venema.

Kinderen van Hindrik en Aaltje Berends:
1 Berend Bettenbroek, geboren in 1844 in Meeden Volgt IV-d.
2 Hinderktje Bettenbroek, geboren op zondag 28 december 1845 in Meeden Volgt IV-e.
3 Evert Bettenbroek, geboren in 1849 in Meeden Volgt IV-f.

De ouders van Aaljte Doedens hadden een kleine boerderij van plus minus 40 deimt (20 hectare) aan de Bovenstreek in Meeden (Boerderijenboek Woldoldambt 202). Gaan we echter de voorouders na dan komen we via genealogiesite Redmeijer (doorklikken links bovenaan, vaderlijke lijn) uit bij de famillie Tiddinga.

Tiddinga's hoofdelingen en jonkers
De Tiddinga's behoren tot de oudst bekende hoofdelingen van het Oldambt. Hoofdelingen waren in het middeleeuwse 'Friese Ommeland' de aanzienlijken. In de 13e eeuw treedt voor het eerst een Tiddinga als een van de leiders van het Oldambt naar voren. In 1271/76 wordt Ebbo Tiddinga genoemd in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe. En in 1391komt Tyacko Tyddinga te Eexta voor als een van de hoofdelingen bij de grensscheiding van het Reiderland en het Oldambt. Hij leeft nog in 1420. In 1454 is er voor het eerst sprak van een Doedo Tiddinga, de naamgever van de latere familie Doedens.
Steenhuis
Exterhuis
In Ulsda, vlakbij Beerta, stond het Exterhuis of Oud-Exterhuis. Er is een relatie tussen dit steenhuis en de Eexter hoofdelingenfamilie Tiddinga. De Tiddinga's leefden soms in onmin met de concurrerende Huninga's. Op een gegeven moment kwam er een huwelijk tot stand tussen een mannelijke Huninga en een vrouwelijke Tiddinga. De Tiddinga’s verdwenen langzamerhand naar achtergrond. Daar komt nog eens bij dat de hoofdelingen in het Wold- en Klei-Oldambt ondergeschikt raakten de Houwerda’s (Termunten) en de Gockinga’s (Zuidbroek). Zij mochten rechtspreken de anderen niet. Door deze ondergeschiktheid kunnen de Tiddinga’s en de Huninga’s zich in de 17e eeuw alleen maar meer door hun vroegere belangrijke positie boven de anderen verheffen, waardoor ze wel vaak jonker werden genoemd. De Tiddinga's vervielen echter allengs terug in de ‘gewone’ boerenstand.

Sociale dynamiek
Er zit nog een behoorlijk brok ontbrekende geschiedenis tussen de hoofdelingen in verval tot bezitters van een kleine boerenplaats in Meeden. Wie nadere info heeft graag! Nietemin blijkt dat het Oldambt een dynamische streek was, met sociale stijgers en dalers. Waardoor een nazaat van een hoofdeling en die van een hannekemaaier elkaar treffen!

Gevaar verplicht

Paul_frissen ' Gevaar verplicht', het lijkt een titel van een spannende roman. Maar het is bepaald geen lichte kost over politiek en staat. Het leest echter als een trein.  Want de auteur de bestuurskundige Paul Frissen is nooit verlegen om boude uitspraken. En deze schuren soms met mijn opvattingen. Waardoor het mijn eigen standpunten als het ware uit de tent lokt, op scherp stelt.

De stelling van het boek is dat de staat zoveel instrumenten in huis heeft dat het tot diep in het persoonlijke leven van mate kan optreden. Dit vereist volgens Frissen  van de politieke elite, maatvoering en beter nog terughoudendheid. Het verschil tussen mensen moet beschermd worden tegen overheidsdwang, dit vraagt er om dat de politieke elite met deugd moet handelen.

Waar inspireert en overtuigt Frissen? Op twee punten Ten eerste op zijn algemene kijk op ' het politieke' . Het politieke wordt bepaald door conflicten, strijd, onenigheid, met van tijd tot tijd een compromis. Een complex, en nooit eindigend verhaal. En in ieder geval ongeschikt voor de ‘overzichtelijke' doel- middel schema’s. Met veel planning, sturing, control, targets, indicatoren. De politiek als een soort oplossingsmachinerie. Dat is bepaald anders hoe veel bestuurskundigen en technocratische politici tegen de politiek aankijken. Dat suggereert een maakbaarheid die er niet is.

Ten tweede overtuigt hij wanneer hij van de politieke elite een nieuwe deugdzaamheid verwacht. Een optreden waarin prudentie (verstandigheid), proportionaliteit, bescheidenheid, oordeelsvermogen, tolerantie en kosmopolitisme voorop staan. Ik snak er naar dat dit meer wordt uitgedragen, in plaats van dat sommigen in koplampen van Wilders turen.

Waar overtuigt en inspireert het niet? Op het punt van zijn strijd tegen het gelijkheidsdenken. Hij ziet het gelijkheidsdenken alleen in de vorm van de man met de zeis die alles een kopje kleiner maakt. Daarom moeten mensen tegen de staat die dit nastreeft worden beschermd (negatieve vrijheid). Dit is te zwart wit. In mijn ogen moet iemand die streeft naar een grotere veelkleurigheid tussen mensen, juist op bepaalde punten een grotere gelijkheid nastreven. Dit lijkt tegenstrijdig maar is het niet.

Want iemand komt pas volledig tot zijn recht als hij ook de gelegenheid heeft om zijn aanleg te kunnen ontwikkelen. Maar al te vaak wordt dit door macht, geld of andere factoren overwoekerd. Armoede is bijvoorbeeld iets wat uiterst belemmerend kan zijn, en de aanleg teniet kan doen. Wanneer die belemmeringen er niet of minder zijn dan komt de natuurlijke verscheidenheid pas echt tot zijn recht (positieve vrijheid). Dit veronachtzaamt Frissen volledig en hij komt dan uiteindelijk in een politieke positie passen bij de Vrijheidsbond een rechtse voorloper van de VVD. Wat inhoudelijk voor vele (sociaal-) liberalen waarschijnlijk te cru zal zijn. Ik laat me op dit punt eerder door Pels inspireren die in navolging van Jacques Kadt stelt dat het gaat 'om socialisme ter wille van het individualisme'.

Niettemin een scherp en boeiend betoog dat uitlokt tot lezen en herlezen!

Man zonder opsmuk

Lene_boer_2
Een dezer dagen zou hij 101 zijn geworden, mijn opa Helenus oftewel Lene Boer. Alhoewel ik pas een jaar of elf was toen hij stierf staat me een aantal dingen nog helder voor de geest.

Het was steevaste prik vanuit Meeden werd op vrijdag de auto aangespannen om naar de supermarkt in de grotere kern Veendam te gaan om daar het gros van de boodschappen in te slaan. Autorama. Het bestaat nog steeds. Maar toen was het een soort uitgeklede Aldi, de mussen vlogen ongehinderd tussen de pakken meel en suiker.

Negen van de tien keer ging ik die uren naar mijn opa. In de achterkamer van een soort kruising tussen een landarbeiders en kleine burgerwoning. We zaten in de achterkamer, vlak bij de keuken. Hij links van mij aan het hoofd van de keukentafel. Ik ingeklemd tussen de doorgaans loeiende kachel en de tv tegenover mij, meestal afgestemd op de Duitse TV die toen veel langer uitzond, de Mainzelmannchen.

Ik kon veel bij hem maken en breken, want onder meer enig naamgenoot van de Boerkant. Een veelprater was hij niet. Veel ging in het uiterst beknopte Oldambtster dialect. Hij had veel van de roerige twintigste eeuw in het Oldambt meegemaakt. Al vroeg aan het werk, heinde en verre aanpakken; maaien in Friesland (hij was gek op Vraize noageltjekeze), de aanleg van de Wieringermeerpolders. Maar ook werkzaam in de hel van Jipsinghuizen in de crisistijd. Een hard bestaan. Hij hield er een gelooid gezicht aan over, maar met twee fluweelzachte bruine ogen die ook wel eens fel konden zijn. Maar doorgaans niet, en zeker niet richting mij.

Hij was samen met zijn neven aan zijn moeder Bettenbroeks kant oprichter van de lokale afdeling moderne landarbeidersbond. Deze werd in 1929 opgericht toen het Oldambt de langdurigste landarbeidersstaking ooit meemaakte. Een staking die de kloof tussen boeren en landarbeiders heeft vergroot. Het ressentiment zat diep. De koffie werd tot 1960 in de kalverstal van de boer gedronken. Toch voerde dat bij mijn opa nooit de boventoon, dat bleef meer onderhuids. Ik heb hem nooit rancuneus horen zijn. Daardoor had hij op den duur ook een zekere onderhandelingspositie in een lokale commissie die na de tweede wereldoorlogen was ontstaan. Hierin werd tussen vakbonden en werkgevers over arbeidszaken bemiddeld.

Na diezelfde oorlog werd hij namens de PvdA (hij was eerder lid van de SDAP) actief in de gemeenteraad van Meeden. Hij werd in de jaren zestig wethouder en dit is hij tot de tweede helft van de jaren zeventig gebleven. In die jaren was er bijna sprake van een revolutionaire ontwikkeling in de jaren vijftig was Meeden nog een duidelijk landbouwdorp, eind jaren zeventig was het een forensendorp geworden.

Waarin spiegel en herken ik me nu nog aan hem? Twee dingen zijn zeer sterk bij mij blijven hangen. Dat is zijn persoon. De toenmalige burgemeester Alberts omschreef hem als volgt: 'Lene Boer was een rustige, bescheiden, integere en vooral loyale man. Hij trad niet graag op de voorgrond. Hij volgde alles nauwlettend en als hij wat zei kwam er een doordachte bijdrage dan wel mening.' Een man zonder opsmuk.

Maar ook zijn politiek houding. Geen hemelbestormer of utopist. Nuchter met beide benen op de grond. Maar wel iemand die wist waar hij voor stond; die rechtvaardigheid nastreefde. Een samenleving waar eenieder gerespecteerd zou worden en een rechtvaardig deel van de koek zou krijgen.

Daarin lijk ik op hem. Een paar weken terug was ik met de ondernemingsraad van mijn werk op Schier. En zoals dat anno 2009 gaat is eenieder ook aan bespiegelingen onderhevig. En ja hoor daar kwamen exact dezelfde zaken uit: nuchter, rustig, overwegend en 'brengt op zijn moment kennis naar voren en is dan scherp'. En mijn leven is weliswaar behoorlijk anders dan die van hem, neem alleen al de scholingskansen die ik heb gehad. De samenleving is nu ook een andere. Dus dat maakt veel van de 'opgaven' anders. Maar ook ik kan me goed vinden in een nuchtere, anti-utopische manier van linkse politiek bedrijven.

Wat is dat? Zijn het de genen? Heb ik in zijn rol willen kruipen? Heb ik een aantal zaken er in willen interpreteren?

Je kan er waarschijnlijk heel wat psychologie van de koude grond op loslaten. Hoe dan ook, ik blijf 101 jaar na zijn geboorte met respect en een zeker mate van ontzag terugkijken op een man die zijn eigen, bescheiden, rol heeft gespeeld bij de lotsverbetering van de arbeider in Oost-Groningen.

Lene_en_hillie_0003

Verhip(t) Eindhoven!?

Eindhovenlichtstad_2
Eindhoven prestenteert zich zelfbewust als ' brainport'; hoogontwikkelde maakindustrie en design die samen gaan. BIjna 40% van de private onderzoeksgelden worden in dit gebied uitgegeven. De concurrentieslag wordt op Europese schaal (Munchen, Stockholm) aangegaan. Dynamiek en durf alom.
Eind vorige week was ik een paar dagen op werkbezoek in Eindhoven. Eens per jaar laat een van de Nederlandse steden zichzelf zien voor de collega's van het stedenbeleid. Ik ben daar vanuit Groningen een van. Dit keer dus Eindhoven.
Natuurlijk er is geen presentatie, zelfs niet over gezondheid, waarbij de naam Philips niet valt. Maar het nauwe huwelijk is een LAT geworden. Zat Philips op 11 plekken in de stad, nu is dit teruggebracht tot drie. Eindhoven heeft van de nood een deugd gemaakt, want was het eerder zo dat er om de Philips lokaties een fors hek zat, 'verboden stad ' was, nu wordt het zo langzamerhand een met de stad. Dit geldt ook voor de Philips High Tech Campus zelf die z'n deuren heeft geopend voor nieuwe startende technische bedrijfjes. Broedplaatsen verdragen zich slecht met omheiningen.
Op andere plekken zoals Stijp-S maken industriele monumenten plaats voor lofts voor de kenniswerkers, met wonen, werken en vrije tijd-oeps- leisure,
En op die plek gaat Eindhoven ook fors de hoogte in. En dat is zeker voor het wonen toch een redelijke doorbaak, want eigenlijk is Eindhoven (evenals Emmen) een boomtown van aaneengegroeide dorpen. En dat is het opvallende aan Eindhoven e.o. want wordt het niet zo langzamerhand onbrabants. Als in de jaren dertig de industrialisering kwam goed op stoom, was de conclusie van de invloedrijke stroming Brabantia Nostra (ons Brabant) dat 'Brabant in Eindhoven ten onder ging', teveel invloed van boven de rivieren. Het joviale, Bourgondische, katholieke platteland bleef veelbezongen de norm. In de tussentijd is een aaneengegroeid Brabantstad realiteit geworden.
De vraag is hoe zich dat ontwikkelt. Is het Brabant verder in de vaart der volkeren? Die de internationale kenniswerker met succes naar Brabant weet te houden en te lokken? Of start er nieuw Brabant Nostra? Zagen we daar bij het aftreden van Vreeman ook al niet trekken van? Of weet Noord-Brabant net als Beieren 'Lap Top und Lederhose' te combineren?

Medemse Medea: 'dubbele vergnoeging'

Medeannt
Meeden, midden 18e eeuw. Het dorp is stevig in de greep van een zwarte kousen geloof. Godsvrucht is de norm. Maar achter de sobere façade vinden belangrijke verschuivingen plaats. Kleine boeren (10-20 hectare) verdwijnen van het toneel. Grotere boeren en landarbeiders bepalen meer en meer het beeld.

De onbetwist rijkste en machtigste boer en tevens kerkvoogd van het dorp is Tonko Aijolts (1695-1766). Sommigen beweren dat hij met een vermogen van vier ton (omgerekend naar nu 3,6 miljoen euro) de rijkste boer van het Oldambt was. Een streek toen al bekend om zijn zeer vermogende landbouwers. In de inboedelbeschrijving (nieuw op de website van het Groninger Archief!) van de weduwe Eetje Eenjes, twintig jaar na de dood Aijolt, vinden we naast bezittingen in Meeden ook eigendommen in Beerta, Blijham, Noordbroek,Veendam en Pekela en een ellenlange opsomming wie allemaal in krijt stond. Al met al 31 pagina's lang.

Het is 12 september 1749 Tonko Aijolts stapt uit z'n naast de kerk en pastorij/school gelegen boerderij op weg naar een kerkenraadsvergadering. Hij beent snel, een aanklacht in z'n binnenzak en is diep in gedachten verzonken:

' Dij ol tibbe van schoulmeester Hagenus zienent. Aaltied ogen op steeltjes. Dat gloepen achter d heege. Ze haar n zet leden midden op d Heerweg zitten te kribben mit t wief van Edzes. En biezetten waren zai mit heur baaident doen bie t pad te vinden. Ze mogen n zet nait bie t oabendmoal kommen. En no most t krek ziezo.
Want wat ze no omhans had hed! Midden in 't kaarspel vergoadern, joa tjuust op de kaarspelvergoadern! Ze kwam vergrelt binnenvlaigen, ogen boven op kop. "Joen zeun hed n törf bie ons deure hongen. Zo ik bin doarmit n hoer! Kiek noar joen aigen. Ik kin joe vertellen ik heb ter nog n törf bie hongen op joen deure, veur dubbel vergnuigen, en nog n tieden der bie ook veur n dubbel vergnuigen! " Gounend konnen heur lachen mor zuneg hollen. Aal nied vanzulf. Mor aaldernoarst.
Dij jong van mie hed mie wat te doun geven, niks is mie bespoard, en no dit. Mor ik zet t heur betoald. Mor of ik t van kerkeroad hebben mout? Dij luu dij der tegenswoordig inzitten. Aalpmoal minder worden. Mor goud. Oh verdold ik bin der al, tis ook ja mor n hoanetree.'

Furieus kaarte hij zijn aanklacht in de vergadering aan. Hij beschuldigde het schoolmeesters echtpaar van het eisen van woekerrente aan een schoenmaker, het veroorzaken van het stelen van kerkaarsen door de kerk niet goed op slot te hebben gedaan en het op rekening van de kerk, maar voor persoonlijk gebruik, gekochte tephaak (om kolen uit het vuur te halen), maar bovenal excuses van Margaretha Tilking voor de belediging in de kerspelvergadering (gemeenteraad avant la lettre). Het paar mag niet meer op het heilig avondmaal komen, zo is de eis. De kerkeraad zat er mee in z'n maag, besloot de zaak te verdagen om ook het schoolmeesterspaar te kunnen horen, maar vanwege hun 'toorn' werden hun alvast wel het avondmaal ontzegd.

Een paar jaar eerder waren een aantal middenstanders in de kerkeraad benoemd. Een aantal boeren waren overleden, middenstanders kwam er voor in de plaats. Desintresse van de grotere boeren? Of zien we hier de verdere opkomst van het 'zwarte kousen geloof' die vooral ook onder arbeiders en middenstanders leefde? Een straffe wind waaide door het toenmalige Oldambt, aldus historisch socioloog Otto Knotnerus. Een wind die ook een bepaald gelijkheidsdenken centraal stelde.

Ruim een maand later op 15 oktober 1749 werden beide partijen gehoord. Al gauw bleken de 'zakelijke' klachten ongegrond. En voor het binnendringen bij de kerspelvergadering onder luidde verwensingen werd weliswaar een reprimande uitgedeeld. Maar verder ging de kerkeraad niet. Bij de persoonlijke aanklacht hadden de meesten toch naar hun schoenen gekeken. Vanwaar deze schroom? Had, mede gezien het geestelijk klimaat, een straffer oordeel op vooral dit zedelijk punt niet voor de hand gelegen?

Ayolt was in ieder geval woest en legde zich er niet bij neer sleepte er getuigen bij, evenals Margaretha. Maar tot een herzien oordeel kwam het niet. Een jaar later stierf Margaretha en de zaak doofde daarmee uit als een nachtkaars.

Maar waar duidde de schroom van de kerkeraad op? Daarvoor gaan we naar vier jaar voordat Aijolt verontwaardigd naar de kerkeraad stiefelde. In 1745 bestond het gezin Tonko Aijolts en Eetje Eenjes uit vijf jongens en een dochter. Een huishouden als dat van Tonko en Eetje had uiteraard dienstdoend personeel. Een van hen was de 23 jarige Anje Jans. Haar vader kwam uit Wesfalen en haar moeder van het Hogeland, het paar was in Meeden neergestreken. Het gezin was arm; Anje was niet in staat om te lezen en te schrijven. Waarschijnlijk had ze in 1745 er al meer dan tien jaar ervaring als dienstmeid opzitten. Eenje, de op een na oudste zoon van 28, kon echter z'n ogen niet van Anje afhouden. Eenje en Anje flikflooiden met elkaar en van het een komt het ander. Anje raakte zwanger. Dit begon waarschijnlijk al snel op te vallen want het bleek inderdaad 'een dubbele vergnoeging': een tweeling. Het moet in het dorp al snel van geruchten hebben gegonsd. Wel hed dat omhans had?

De reactie van Tonko Aijolts en Eetje Eenjes was resoluut; elke mogelijke vingerwijzing naar Eenje moest uit de wereld. De tweeling kwam ter wereld maar kerkvoogd Aijolt wist te verhinderen dat er ook maar iets te boek werd gesteld. Ze trokken hun handen er volledig vanaf. Anje en haar kinderen werden afhankelijk van de diaconie; een brood per week. Weliswaar klaagde Anje via een familielid als voormond Eenje Tonkes aan bij de drost. Had hij niet aan Anje beloofd om te trouwen en moest hij niet de verantwoordelijkheid nemen voor de gevolgen van 'vleeschelijke conversatie en impregnatie'. Tonko zette familieleden en knechten in die plechtig vertelden van niets te weten. Tonko deed alles om te voorkomen dat Eenje voor de drost zou moeten verschijnen en toen dit niet te voorkomen was, verliet hij z'n schaduw geen moment. Dit irriteerde de drost. Maar wegens definitief gebrek aan bewijs werd Eenje echter niet veroordeeld.

Het lijkt er op dat Eenje beperkte (verstandelijke) vermogens moet hebben gehad. Een van de redenen dat zijn ouders waarschijnlijkheid als een schild om hem heen hebben gestaan. Hij kon zich niet als eigenerfde boer handhaven. Hij bleef bij z'n moeder wonen. Hij trouwde, toen moeder Eetje hoogbejaard was, pas op z'n vijfenvijftigste en niet nadat de huwelijkskandidaat een 'grote plaats' in het vooruitzicht werd gesteld. Overigens was Eenjes broer Edzo wel zo slim om deze plaats, zonder medeweten van Eenjes vrouw, via een constructie zo te regelen dat Eenje de boerderij alleen pachtte. Waardoor de weduwe van Eenje naar de erfenis kon fluiten (met opnieuw processen). Eenje had op instigatie van de zestien jaar jongere Edzo de desbetreffende papieren volgzaam getekend.

Hoe het ook zij, ook Tonko en Eenje hadden hun handen er volledig van afgetrokken. En weigerden, voor zover wij weten, iedere verantwoordelijkheid. Anje en hun kleinkinderen waren veroordeeld tot de bedelstaf en waren aangewezen op de diaconie. Het rijke vermogen hadden Tonko en Eetje gemakkelijk in staat gesteld enige hulp te bieden zonder er zelf een centje pijn van te hebben.

Anje kan doorgaan voor de Medemer variant van Medea uit de oudheid met als verschil dat de Medemer Medea haar eigen tweeling uit wraak op de vader niet doodde. Sterker nog Anje noemde haar tweeling naar opa en oma: Tonko en Eenje. Uit traditie? Een vorm van stille wraak? Een sprankje hoop op latere erkenning? Hoe dan ook: Tonko vocht ook dit aan. Hij werd volgens een fragmentarisch bewaard proces in het gelijk gesteld. Maar heeft zich er uiteindelijk bij neer gelegd. En uiteindelijk na Tonko Jans in 1811 de achternaam Tonkes aan. De bastaard tweeling hebben daarmee aan de wieg gestaan van twee takken Tonkes op de Meeden.

Gegevens voornamleijk ontleend aan: H. Stuut, 'Het nageslacht van Tonko Ayolts en Eetje Eenjes' in: Gruoninga (2002) pag 55-76.

Lichtpuntje

Lichtpuntje_2
De Politieke Ledenraad van de PvdA is akkoord gegaan met de verhoging van de AOW van 65 jaar naar 67 jaar. Ik melde al dat we druk doende waren voorstellen te ontwikkelen, vooral voor de groep mensen met een lagere inkomen en zwaar werk. Dit stuitte ook mij tegen de borst.
En het is gelukt een voorstel aangenomen te krijgen, waardoor de PvdA kamerfractie het nodige huiswerk meekrijgt. De ledenraad is met ons van oordeel dat inkomensverschillen die uit deze maatregel zijn ontstaan moeten worden tegengegaan. Dat mensen met zwaar werk niet naast hun werk, maar in de baas z'n tijd scholing kunnen volgend. En dat iemand met zwaar werk op 65 jarige leeftijd kan stoppen met werken met behoud van minimaal 70% van zijn laatst verdiende loon. (Liefhebbers van politiek proza kunnen hier terecht voor de volledige tekst). Toch nog een lichtpuntje.
Dat dit gelukt is, is mede te danken aan de woordvoerder van het gewest Groningen: Jan Köller. Een doorgewinterde sociaaldemocraat uit Borgsweer. Het NRC sloot haar bijdrage over de ledenraad af met de een beschrijving en de oproep van Jan:
" Hoe rijkgeschakeerd de PvdA is, bleek ook toen een lid uit Oldambt deze kritiek onderschreef. In een stevig Gronings accent zei hij, tot hilariteit van de zaal: „Liever een heldere maatregel die pijn doet, dan één met acht-en-tachtig uitzonderingen.” En direct daarop verwoordde hij een dieperliggende angst, die zowel bij de top als in de achterban leeft: „Samen sterk, dat ben ik met Wouter Bos eens. Maar ik vraag me soms wel af: hoe groot is dat samen eigenlijk nog?”

Vergadertijger

Vergadertijger
Vandaag spoedoverleg over de WAO gehad. Maandag is er een Politieke Ledenraad van de PvdA. De voorstellen van de WAO komen daarin aan bod. Het kabinet en de Tweede Kamerfractie zijn volop het land in om de afdelingen over de streep te trekken. Maar of die plannen voldoende zwaar zijn? Ik had al gewezen op de gebrekkige regeling voor zwaar werk.
Mijn tol was om als (vice) voorzitter van het het gewest Groningen het geheel in banen te leiden. Het was relatief vroeg dag vanochtend, waardoor alleen de doorgewinterde partij- en vegadertijgers aanwezig waren. Desondanks goede discussie gehad.
Nu veel gemail over moties. Hoort bij het politieke handwerk. Dat is veel heen en weer. Uiteindelijk zullen we zien of het vergadertijger gedoe ook tot meer leidt dan een papieren tijger, want daar gaat het eigenlijk om. Maandag meer.....

Mijn foto
web-log.nl, powered by TypePad